|
Wat was ik bang toen tegenstand en zonde, mijn hart, mijn leven belaagden. Voor ogen zag ik de dood, met wie kon ik het leven aan?
U riep ik aan, o God in al mijn nood, in de ellende dat 'k doelloos sterven zou, ongekend en onbemind, en eenzaam ondergaan ten tijde van het kwaad.
U kwam, verhoorde mijn gebed. Ik zag de aarde, vol ontzetting beven voor uw majesteit. Waar duisternis was en donder: Uw woord was er, Uw stem, U zelf.
Waar alles om mij heen te hoop liep om mij weg te vagen, dáár was Uw woord, Uw stem van welbehagen. U leerde mij de vrijheid om te leven, ook als de nood mij bijna overmant.
Nu wil ik loven God, Uw naam en blij vertellen wat U voor mij deed. Verwonderd sta ik, dat ik leef, dat U mij recht verschafte, toen ik leed, Uw stem mij opnam in Uw raad.
U loof ik als de Redder van al wat geen stem heeft, is vertrapt. U loof ik om het recht dat volken roept te horen naar uw stem; te leven naar U woord dat vrede brengt.
Uw naam, God, gaat de tegenstand te boven en brengt mij in de weg van licht en heil. Laat heel de wereld horen, en U loven dat wat U brengt ons leven is, en niet de dood waarvoor ik vrees.
Ik dank U God, mijn rots, mijn vesting. Mijn weerstand laat U buigen naar uw eis. U richt mijn ziel en zonder tegenstreven verlang ik altijd naar Uw huis, naar Uw paleis.
|